Kameraden voor altijd
Detje is 97. Helblauwe ogen, zilvergrijze haren, een jeugdige uitstraling.
Ze woont in het Wikenhuis in Drachten ─ een instelling voor mensen met dementie. We komen eens per maand bij haar langs, op de huiskamer met de andere bewoners erbij of op haar eigen kamer.
De laatste tijd ligt ze steeds vaker in bed. Vandaag is ze niet fit en net wakker.
Vooraf heeft Wendy (de activiteitenbegeleider) ons bijgepraat. Vandaag speel ik met Marieke (clown Noena). We staan voor de deur van Detje. Noena speelt zachtjes een deuntje op haar mondharmonica.
Kameraden op bezoek
Wendy klopt op haar deur.
‘Detje,’ roept ze. ‘Er is bezoek voor je. Mogen ze even binnenkomen?’
‘Bezoek?’ hoor ik haar zeggen. Ze klinkt verbaasd.
Ik steek mijn hoofd om de hoek en grijns.
Een grote lach breekt door. ‘Mijn kameraden!’ roept ze hartelijk. ‘Kom binnen.’
Heerlijk, zo’n ontvangst. Ooit vond ze ons maar vreemde snuiters, inmiddels al lang niet meer. Ik marcheer de kamer binnen. Achter mij loopt Noena, vrolijk begeleidend op haar mondharmonica. We maken een kleine optocht door haar kamer.
Detje duwt zich met haar ellebogen iets omhoog in haar kussen.
‘Lig ik weer in bed,’ zegt ze verontschuldigend.
‘Uw bed ziet er anders heerlijk uit,’ zegt Noena. We komen naast haar bed staan.
‘Ik zou best even naast u willen kruipen,’ voeg ik eraan toe.
Ze schuift voorzichtig en met moeite iets op, naar de rand van haar bed.
Tussen haar en de muur komt een smalle plek vrij.
‘Toe vooruit,’ zegt ze beslist.
Die kans grijp ik met beide handen aan. Via het hoge voeteneinde. Noena helpt. Ze duwt. Het valt niet mee. Ze duwt nog eens. Ik kreun en steun.
‘Stel je niet aan,’ zegt Detje lachend. ‘Hup, even doorzetten.
Ik plof naast Detje neer. Onze gezichten dicht bij elkaar. Zij kijkt me aan.